Pensioenfonds Metaal en Techniek kijkt terug op een succesvolle overgang naar de nieuwe pensioenregeling. De overstap is rustig verlopen en deelnemers en pensioengerechtigden zijn zorgvuldig geïnformeerd.
Voorzitter namens de werkgevers Terry Troost ziet dat het fonds goed is toegerust voor de toekomst: 'De brieven over de definitieve berekening leiden tot weinig vragen. Dankzij onze financiële positie was er bij de overgang ruimte voor een pensioenverhoging van 8,3% voor pensioengerechtigden. Ook is de solidariteitsreserve goed gevuld, wat bijdraagt aan de stabiliteit van ingegane pensioenen. Met de overgang naar de nieuwe pensioenregeling, de start van onze directeur Lenneke Roodenburg en een aangescherpte strategie ligt er een stevig fundament voor de komende jaren.'
Voorzitter namens de werknemers en pensioengerechtigden Caspar Vlaar benadrukt het belang van communicatie in de volgende fase: 'We zijn blij dat de overgang soepel is verlopen. De komende periode ligt de nadruk op goede en begrijpelijke communicatie, zodat deelnemers en pensioengerechtigden zien wat de nieuwe regeling voor hen betekent. Ook voor het verantwoordingsorgaan is dit een belangrijk thema. Wij hebben hier een duidelijke visie op en luisteren goed naar de vragen die leven. Daarom blijven we inzetten op persoonlijk contact en trekken we ook dit jaar het land in. Onlangs ging ik in Lelystad met pensioengerechtigden in gesprek over de nieuwe regeling. Dat leverde waardevolle inzichten op.'
Eerste kwartaalbericht in het nieuwe pensioenstelsel
Dit is het eerste kwartaalbericht van PMT in het nieuwe pensioenstelsel. De dekkingsgraad bestaat in dit stelsel niet meer als maatstaf voor de financiële positie. In plaats daarvan kijken we naar de ontwikkeling van het pensioenvermogen en de gevolgen voor de hoogte van de pensioenen.
Voor pensioengerechtigden of deelnemers die bijna met pensioen gaan ligt de focus op de verandering van de hoogte van de pensioenuitkering. Voor deelnemers die de komende tijd nog geen pensioenuitkering ontvangen, focussen we met name op het rendement dat nodig is om het pensioenvermogen te laten groeien. Het totaalrendement is de som van het overrendement en het beschermingsrendement.
Beschermingsrendement
Het beschermingsrendement beweegt mee met de kostprijs van pensioen, daarmee houden we het pensioen stabiel. Als door een lagere rente de kostprijs van pensioenen stijgt, vangt het beschermingsrendement deze stijging op en zorgt voor stabiliteit door het renterisico gedeeltelijk af te dekken. Dit werkte ook zo in het oude pensioenstelsel (FTK). Verschil met het oude stelsel is dat jongere deelnemers minder bescherming nodig hebben en oudere deelnemers meer bescherming. Zo zorgen we voor stabielere pensioenen voor pensioengerechtigde deelnemers of deelnemers die bijna met pensioen gaan. Voor oudere deelnemers investeren we meer in beleggingen die meebewegen met de kostprijs van het pensioen.
Overrendement
Het overrendement is het extra rendement dat wordt behaald boven op het beschermingsrendement. Dit rendement komt uit beleggingen met meer risico, zoals aandelen en bedrijfsobligaties, en draagt bij aan de groei van pensioenen op de lange termijn. Voor jongere deelnemers investeren we meer in deze beleggingen die naar verwachting meer overrendement opleveren. Hierdoor schommelt het verwachte pensioen voor een jongere deelnemer meer, maar groeit het naar verwachting ook sterker.
Ontwikkelingen voor pensioengerechtigden
Of het pensioen op 1 januari 2027 kan worden verhoogd, hangt af van de verandering in de kostprijs van de pensioenen en de behaalde rendementen. De kostprijs is het bedrag dat nu nodig is om later een euro pensioen uit te keren. Wanneer de rente daalt, stijgt deze kostprijs. Om de pensioenen gelijk te kunnen houden is in dat geval een positief rendement nodig. Is het rendement hoger dan benodigd, dan kunnen de pensioenen op 1 januari omhoog. Is het rendement lager dan benodigd, dan moeten de pensioenen op 1 januari verlaagd worden. In dat geval wordt het pensioen aangevuld vanuit de solidariteitsreserve, voor zover deze reserve voldoende gevuld is.
De tabel laat zien in hoeverre het behaalde rendement afwijkt van de wijziging in de kostprijs van de pensioenen. Dit noemen we het spreidingsvermogen.
| Q1 2026 | Q4 2025 | |
| Behaald rendement collectieve uitkeringsfase | -0,7% | n.v.t. |
| Wijziging kostprijs pensioen | 0,5% | n.v.t. |
| Spreidingsvermogen | -1,1% | 0% |
Aan het eind van ieder jaar verwerken we 1/3e deel van het spreidingsvermogen in de uitkeringen. In het eerste kwartaal van 2026 was het behaalde rendement niet voldoende om de verandering in de kostprijs van het pensioen bij te houden. Het spreidingsvermogen is daardoor gedaald naar -1,1%. Op basis van deze voorlopige stand zouden de pensioenuitkeringen op 1 januari 2027 met 0,4% worden verlaagd. Deze verlaging zou vervolgens worden voorkomen door een aanvulling vanuit de solidariteitsreserve. Dat vraagt een kleine inzet van de solidariteitsreserve die daarna nog steeds goed gevuld is. Deze aanpassing is nog niet definitief. Voor de definitieve aanpassing op 1 januari 2027 gebruiken we de resultaten die zijn behaald tot en met 30 september 2026.
Ontwikkelingen voor deelnemers die nog geen pensioen ontvangen
Hoeveel overrendement en beschermingsrendement een deelnemer krijgt hangt af van de leeftijd. Voor een 35-jarige deelnemer investeren we bijvoorbeeld meer in risicovolle beleggingen, omdat deze naar verwachting ook meer rendement genereren. Een 35-jarige krijgt dus verhoudingsgewijs ook meer overrendement en minder beschermingsrendement. Het pensioen van een jongere deelnemer zal daardoor meer schommelen, maar kan ook sterker groeien. In dit eerste kwartaalbericht is deze schommeling goed zichtbaar. Voor een 65-jarige deelnemer investeren we meer in beleggingen die het pensioen stabiel houden en juist minder in risicovolle beleggingen. De schommelingen in het pensioen zijn hierdoor vele malen kleiner dan voor jongere deelnemers.
In Mijn PMT kunnen deelnemers gaan zien hoe hun persoonlijk pensioenvermogen zich ontwikkelt. Voorbeelden voor enkele leeftijden:
| 35-jarige | 45-jarige | 55-jarige | 65-jarige | |
| Overrendement Beschermingsrendement |
-4,6% 7,9% |
-4,2% 4,7% |
-2,6% 2,8% |
-1,5% 1,0% |
| Behaald rendement | 3,3% | 0,5% | 0,2% | -0,5% |
| Wijziging kostprijs pensioen | 23,4% | 12,9% | 5,3% | 1,1% |
| Wijziging opgebouwd pensioen* | -16,3% | -11,1% | -4,8% | -1,6% |
*Het spreidingsvermogen en de wijziging van het opgebouwde pensioen zijn als volgt berekend: (1 + behaald rendement) / (1 + wijziging kostprijs pensioenen) -/- 1. Door afronding op 1 decimaal kan er een verschil ontstaan van 0,1%-punt.
De beleggingsresultaten in het eerste kwartaal laten zien dat het rendement en het pensioen voor jongeren volatieler is dan voor deelnemers dichter bij de pensioenleeftijd. Het vermogen voor een 35-jarige deelnemer is gegroeid met 3,3%. De verwachte pensioenen zijn echter sterk gedaald. Op het eerste gezicht lijkt dat tegenstrijdig, maar de verklaring zit in de kostprijs van pensioen.
Door de gedaalde rente is de kostprijs dit kwartaal gestegen. Deze stijging is met name zichtbaar bij jongere deelnemers; omdat hun pensioenuitkeringen nog ver in de toekomst liggen, zijn deze extra gevoelig voor renteveranderingen.
Het beschermingsrendement vangt een deel van die stijging op, maar biedt slechts deels bescherming. De focus ligt voor jongere deelnemers op het behalen van overrendement. Dit kwartaal viel het overrendement negatief uit, wat verder bijdraagt aan de daling. Kort gezegd: het vermogen is dit kwartaal gegroeid voor de meeste deelnemers in de opbouwfase, maar pensioen inkopen is nog sneller duurder geworden.
Voor een 65-jarige is het beeld heel anders. Het opgebouwde pensioen daalt dit kwartaal met 1,6%. De kostprijs stijgt namelijk veel minder (1,1%), omdat de pensioenuitkeringen op deze leeftijd dichtbij liggen en dus minder gevoelig zijn voor renteveranderingen. Het beschermingsrendement (1,0%) vangt de stijging van de kostprijs voor een groot deel op. Voor oudere deelnemers zijn de kwartaalschommelingen daardoor beperkt, wat past bij hun levensfase.
Dit is een momentopname. Jongere deelnemers hebben nog tientallen jaren tot hun pensioen en in die periode bewegen rente en rendementen voortdurend. De grotere kwartaalschommelingen horen bij de positie van jongere deelnemers in het nieuwe stelsel: zij dragen meer beleggingsrisico, maar profiteren op termijn ook van meer positieve rendementen.
Rendementen uitgesplitst naar beleggingscategorieën
Het eerste kwartaal werd gekenmerkt door het conflict in het Midden-Oosten, wat wereldwijd druk zette op de aandelenmarkten. Dit totaalrendement is een gemiddelde van alle cohorten, en is daardoor geen goede graadmeter voor de impact op individuele pensioenen of pensioenvermogens. Het totaalrendement over alle cohorten komt in het eerste kwartaal uit op 0,8%.
Het overrendement van PMT kwam uit op -1,9%, waarbij het aandelenrendement van -2,9% de grootste negatieve bijdrage leverde. Daarnaast daalde de rente in het eerste kwartaal, wat leidde tot een hogere kostprijs van pensioenen en een positief beschermingsrendement van 2,7%.
| Beleggingscategorie* | Weging | Beleggingsrendement |
| Aandelen (incl. private equity) | 30% | -2,9% |
| Hoogrentende waarden | 15% | -0,5% |
| Vastgoed | 12% | 0,3% |
| Beschermingsportefeuille | 43% | 4,2% |
*Rendementen worden weergegeven inclusief het valuta-afdekkingsresultaat.